‘De laatste man van de Zwarte Hoop’
De saak Van der Burg sette in stream fan ûnfoarsjoene foarfallen yn it wurk. Op it rjochtbankferslach fan 18 oktober 1951 oer de saak Van der Burg yn de Heerenveense Koerier folget op 19 oktober ûndersteand haadartikel fan Fedde Schurer:
De laatste man van de Zwarte Hoop? Mr. Wolthers, de Heerenveense kantonrechter, die zichzelf enkele jaren geleden zulk een trieste faam bezorgde door de Friese melktappers van Oldeboorn na te bauwen en af te blaffen vanwege het feit, dat zij als Friezen voor zijn groene tafel verschenen, heeft weer eens van zich doen spreken. Het was ditmaal geen melktapper, op wie zich ‘s mans getabbaarde woede ontlaadde, maar een dierenarts, en niet de eerste de beste.
De heer S.F. v.d. Burg, thans in praktijk te Lemmer, heeft een eervolle staat van dienst als leidende figuur in de federatie van Friese studentenverenigingen, en mag als representatief voor deze organisatie worden beschouwd.
Men heeft in deze krant van gister kunnen lezen, hoe de zaak zich Woensdag bij het kantongerecht toedroeg. De heer v.d. Burg, die uiteraard Fries sprak (wat voor de Leeuwarder rechtbank helemaal niet als iets bijzonders wordt beschouwd) zag zijn taak plotseling geschorst, omdat de kantonrechter een tolk wenste. Die tolk kwam natuurlijk niet; de heer Wolthers weet ook zeer wel, dat de betaling van een translateur, wiens oproeping te verklaren zou zijn uit kleinzielige plagerij, niet als een verantwoorde post kon worden beschouwd. Evenwel moest de heer v.d. Burg, die een drukke praktijk heeft, wachten tot het eind van de zitting, om daarna de mededeling te horen dat er geen tolk zou komen omdat het hier geen vreemde taal betrof. Iets, wat natuurlijk bij het begin van de zitting evengoed bekend was.
Het proces vond toen zijn voortzetting, nadat de kantonrechter ex cathedra had afgekondigd, dat hij ‘officieel’ de heer v.d. Burg niet verstond. De satisfactie voor deze vertegenwoordiger van de Nederlandse rechtspraak kon dus enkel bestaan in het feit, dat hij de heer v.d. Burg ‘lekker’ enkele uren van zijn kostbare tijd ontroofde: de verklaring immers was een slag in de officiële lucht.
De beantwoording van de vraag waarom de heer Wolthers zo mateloos geirriteerd wordt bij het horen van de taal van het volk, waarover hij zolang recht sprak, ligt meer op des psychiaters weg dan op de onze. Maar het feit, dat hij deze geïrriteerdheid in de openbare uitoefening van zijn functie zo slecht weet te verbergen, is een feit dat ons allen raakt. Morgen kunnen ook wij voor zijn rechterstoel staan. Dit kinderachtige, beledigende en treiterende optreden tegenover een representatieve figuur als de heer v.d. Burg is een openlijke provocatie voor het Friese volk in het algemeen en voor zijn georganiseerde studerende jeugd in het bijzonder. De heer Wolthers, die officieel geen kind meer is, moet zich deze dingen wel bewust zijn. In de middeleeuwen is Friesland geplaagd door een Saksische bende, die de Zwarte Hoop werd genoemd. Mr. Wolthers schijnt het er op gezet te hebben, deze naam voor zich en zijn gelijkgezinde collega’s te reserveren.
Laat hij dan beseffen, dat hij een nabloeiertje is: bij de grote meerderheid van de rechterlijke macht is reeds een moderner besef doorgedrongen, en dingen als zich nu bij herhaling in Heerenveen voordoen, komen in Leeuwarden eenvoudig niet voor. Mr. Wolthers provoceert dus niet alleen het Friese volk en de Friese studenten, hij compromitteert tevens zijn collega’s. Wij vragen ons af, of het de bedoeling van de minister van justitie is, dat het kantongerecht door een rechter wordt gebruikt om herhaaldelijk zijn persoonlijke minderwaardigheidsgevoelens uit te vieren tegen vrije Nederlandse burgers, die staan op hun eeuwenoude volksrechten. Het zou zeker niet overbodig zijn, wanneer in de volksvertegenwoordiging rechtstreeks naar de mening van de minister in dezen werd geinformeerd. Een duidelijke verklaring zou ons volk enige waarborg geven tegen onverhoedse grofheden, en de rechterlijke macht in Friesland zuiveren van de blaam, die door dergelijke vertegenwoordigers op haar wordt geworpen.”
In artikel fan deselde strekking as dat fan Schurer fan 19 oktober, ferskynt yn it Bolswards Nieuwsblad fan 30 oktober 1951. Yn de rubryk “Fan de Martinytoer” joech Tsjebbe de Jong syn miening oer de saak Van der Burg. Syn oardiel liet oan dúdlikens neat te winskjen oer:
Dit is wol in tryst stikje treiterij. Der steane foarelkoar twa academi yn Fryslân, en de iene misbrûkt syn heech ambt op sa’n tryste manear, dat men nei de Nazi’s gean moat om syn gelikens to finen. Hwat yn’e goedichheit kin sa’n man biwege om sa dom, sa provocerend en sa maniakael op to treden. Kin soks jit ûnder de normale situaties rekkene wurde of is it wurd oan de psychiator. As men soks meimakket, moat men jin bihearskje om sa’n man net mei in kneppel op syn baitsje to jaen. (…)
Dit soarte fan provocateurs moatte hjir wei. Hja jowe har sels, hwat karakter en ynsjoch oangiet, in testemonium paupertatis, sa fier ûnder it reedlik minimum, dat hja hjir net bliuwe kinne.
Wolthers en Schurer
Mr. Wolthers achte him troch it artikel fan Schurer as amtner misledige. Der giet in Frysk-pratende plakferfangende- offisier fan justysje nei it Hearrenfean foar ûnderfreging fan Schurer. Dy ferklearret ûnder mear it neikommende:
Tegen Mr. Wolthers als persoon heb ik niets: de opzet van mijn artikel was niet iemand persoonlijk te kwetsen. Ik moest hier echter schrijven, zoals ik gedaan heb, omdat ik de heropening van de discussie over de plaats van het Fries in de rechtszaal belangrijker acht, dan een mogelijke belediging van de rechterlijke macht of van Mr. Wolthers. Ik meen overigens, dat ik de rechterlijke macht niet heb beledigd. Naar ik meen heb ik duidelijk genoeg laten uitkomen, dat Mr. Wolthers langzamerhand tot de uitzonderingen gaat behoren en dat de rechterlijke macht over het algemeen in toenemende mate voor deze kwestie begrip toont. Ik meende hier echter een felle aanval te moeten doen op de kantonrechter te Heerenveen, omdat de minachting van deze magistraat voor het Fries en zijn discriminatie van het Friese volk niet langer zwijgend kan worden voorbijgegaan.
Besluten wurdt ta strafferfolging fan Schurer. Hy krijt op 5 november 1951 in daging om him op 16 novimber te Ljouwert te ferantwurdzjen.
De daging wurdt yn de gearkomste foarlêzen troch de plakferfangend offisier fan Justysje mr. H.W. Kuipers. Dy leit Schurer “eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening ten laste”. By de ûnderfreging troch de plysjerjochter mr. Taconis ûntstiet de neikommende dialooch:
Plysjerjochter: ‘Geeft u toe, dat het bewuste artikel inderdaad een beledigende inhoud had?”
Fertochte: ‘Né, mynhear de president”.
Plysjerjochter; ‘Kijk, dat begrijp ik nu niet goed. U bent onderwijzer geweest, hebt waarschijnlijk de hoofdacte gehaald en is al diverse jaren als redacteur en hoofdredacteur aan een krant verbonden. (….) Blijft u beweren, dat de uitdrukkingen, die U gebruikte (…) zo waren, dat U zich niet beledigd zou gevoelen wanneer een ander ze tegenover u gebruikte? Is dit de gebruikelijke manier van converseren tussen fatsoenlijke, beschaafde mensen?
Fertochte: ‘Né, ik soe my net biledige achte. It giet hielendal bûten de persoan om. Ik soe repliseare en net komme mei in oanklacht.
Plysjerjochter: ‘Dan verschillen wij belangrijk van mening’.
Nei it ferhoar wurdt Pieter Wijbenga, sjef-redakteur fan it Friesch Dagblad, troch mr. D. Okma, abbekaat fan Schurer, heard as tsjûge-saakkundige. Hy leit de eed yn it Frysk ôf, mar dat wurdt troch de plysjerjochter net akseptearre. Besluten wurdt om Wijbenga dan mar ûnder ûnthjit te hearren.
Yn heger berop
It fonnis wie twa wiken finzenisstraf ûnder betingsten mei trije jier proeftiid.
| Saak Fedde Schurer vs. Mr. Wolthers. Midden: F. Schurer, links: Mr. Herzberg, rjochts: mw. W. Schurer-de Vries. 18 maart 1952 Foto: P. Boonstra |
Yn it berop, dat fjouwer moanne letter tsjinnet, lit Schurer him stypje troch mr. Abel Herzberg, dy’t him sels oanbean hie om de ferdigening sûnder honorarium op him te nimmen. Herzberg wie tige ynteressearre yn de kwestje, dy’t neffens him gjin juridyske, mar in literêre saak wie.
